De familie De Flou is reeds generaties lang in en rond Maldegem actief in de vleessector.

In het begin van de 20e eeuw was overgrootvader Adolf "De Mande" De Flou slachter, vlees-, eier- en kolenhandelaar.Albert De Flou

Grootvader Albert De Flou vervoegde na WOII het bedrijf en de vleeshandel werd verder uitgebouwd. Het slachten van dieren gebeurde vanaf nu in erkende slachthuizen. Een tiental jaren later, halfweg de jaren 50, werd een slagerij opgestart waarbij men zelf een aantal vleeswaren begon te bereiden, zoals droge worst, hoofdvlees, gedroogde hammen en zelfs gekookte hammen. Het vlees werd aan andere slagerijen en op markten verkocht.

Jan De FlouVader Jan De Flou zette in 1971 de vleeshandel verder en legde zich in de beginjaren toe op het aankopen van karkassen en versnijden van varkensvlees. Het vlees werd verhandeld in een netwerk van slagerijen in Oost- en West-Vlaanderen. Stilaan groeide de ambitie om zelf vleeswaren te gaan produceren. In de loop van de jaren 80 werd er onder de merknaam Jorven gestart met de productie van gekookte en gedroogde hammen. Gaandeweg werd het assortiment van de droge zouterij verder uitgebreid met gerookt en gezouten spek, bacon en cobourg. Het assortiment van de kookwaren werd ook uitgebreid met diverse variaties op de klassieke gekookte ham.

Het recept voor de gekookte hammen evolueerde in de loop der jaren en leidde tot een nieuw product: de Bezembinderham. Dit uniek, mals product met een zoutarme samenstelling en een kruidige mantel werd vernoemd naar de Kleitse werkers van vroeger: de bezembinders.

Sinds begin 2010 is Steven De Flou zaakvoerder van de onderneming.

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw en tot een eind in de 20ste eeuw was Kleit het bezembinderdorp bij uitstek. Berkebezems waren zeer gegeerd voor het reinigen van stal of woning, en de Kleitenaars trokken er heinde en verre mee naar de markten.

De legende wil dat op een onweerachtige late namiddag een stoet van jagende ridders bij ontij verdwaalde in de uitgestrekte Kleitse bossen. Het “bos zonder genade” van toen was woest en onherbergzaam. Een voorname heer uit de jagerstroep, afgezonderd van de rest van zijn gezellen, was maar al te opgelucht toen hij bij een hele bliksemschicht de schamele hut van een Kleitse bosbewoner ontwaarde. Hij werd er gastvrij ontvangen, deelde de maaltijd met de arme lieden en bracht er zelfs de nacht door. 's Anderendaags vroeg de tevreden heer aan de hutbewoners wat hij als dankbetuiging voor hen kon doen. “Het is zielig”, zei de bezembinder, “hoeveel wij aan de heren moeten betalen om in de bossen het berkerijs te mogen snijden, onmisbaar voor onze stiel”. De heer luisterde aandachtig en beloofde er iets aan te doen. Daarna reed hij weg. De volgende dag stapte voor de hut van de bezembinder een sierlijk uitgedoste bode van zijn schuimbekkend paard. Tot grote verrassing van de bewoners bracht hij, op perkament geschreven, het privilege dat vanaf heden de Kleitenaars in eigen bossen, en ook in de bossen van de omgeving, vrij mochten berkerijs snijden. Het berkerijs mochten ze snijden tot de derde knoop. Het perkament was voorzien van het zegel van de Graaf van Vlaanderen. Het was immers Lodewijk van Male geweest die van de gastvrijheid van de Kleitenaars had genoten, en hen uit dank dit eeuwig voorrecht schonk.

(bron: www.maldegem.be/toerisme/legendes.htm#bezembinders)